Piet’s Big City week 40 “16
Wie is de laatste? Net als in vroeger dagen poneer ik de vraag die heden ten dage geen mens meer stelt. Terwijl ik de wachtkamer betreed van het laboratorium aan het Damsterdiep kijken de mensen mij ietwat verbaasd aan. Het is half 8 in de ochtend en er zijn op dit vroege tijdstip al meer dan twintig mensen die nog vroeger dan ik uit bed zijn gestapt. Allemaal met dezelfde opdracht: bloed laten prikken. Dokter Strikwerda was duidelijk geweest toen ik hem een dag eerder bezocht voor pijn in mijn linkerknie en even de bloeddruk liet opmeten. De knie blijkt een lichte vorm van artrose en de bloeddruk is 180/40, dus goed. Nu nog even bloed prikken Piet. Wel doen, want het is alweer anderhalf jaar geleden. Ik beloof te gaan, vandaar mijn vraag aan mijn lotgenoten wie van hen de laatste is. Is als een geintje bedoeld natuurlijk, elk en een trekt tegenwoordig bij binnenkomst een bonnetje met nummer. Maar het zorgt wel degelijk voor sfeer in de wachtkamer, waar normaliter de mensen als een dood vogeltje voor zich uit zitten te staren, wachtend op hun beurt. Groningen is klein, vandaar dat ik verscheidene mensen herken. En andersom is dat gelukkig nog steeds zo. Frans, die ik al vijftig jaar ken, is bezig de puzzel in de krant op te lossen en komt plotsklaps tot de conclusie dat hij per abuis twee bonnetjes heeft getrokken, 377 en 378. Zelf heb ik 383, dus vraag ik aan Frans of ik dan 378 mag hebben. Scheelt toch 5 nummers, dus des te sneller aan de beurt. IK zie de mensen kijken en voel dat zij allen hetzelfde denken: dat zal hij toch niet doen. Voordat een van hen hierover een opmerking kan maken ben ik ze voor. Ga ik niet doen hoor. Ik wacht gewoon mijn beurt af. Vanaf dat moment is de stemming nog meer ontspannen dan voorheen. Mensen gaan en mensen komen. Volop drukte bij het bloedprikken. Kan nog mooi even voor het werk. Heeft u kinderen? De vrouw naast mij is niet een beetje nieuwsgierig. Is dat nou leuk dat de meeste mensen hier weten wie u bent? Zeg maar jij riposteer ik, en nee ik vind dat niet erg. En ja, ik heb twee dochters en ook twee kleindochters. Heeft u zelf ook kinderen? De vrouw schudt nee en vertelt dat ze straks ook nog naar het UMCG moet voor een ECG. U bent toch ook sportverslaggever? Wie is nu trainer van de FC? Faber zeg ik. Ik vind Ron Jans een leuke man laat de vrouw de wachtenden weten. Ik ben aan de beurt. Ik lever een potje urine in en moet me legitimeren. Mijn mannelijke prikker doet het geweldig. Voordat ik het besef zijn de twee gevraagde buisjes bloed vol. Bent u duizelig?, vraagt hij. Nee zeg ik en ik krijg een hand. Thuis neem ik koffie en een broodje en kijk terug op een bijzondere ochtend.