Piet’s Big City week 20 “16
Ik heb mijn bijzondere attributen zonder schade kunnen overbrengen naar mijn nieuwe onderkomen in het kloppend hart van de stad. Zoals daar zijn de sigarettenpeuk en een lege vulling uit de pen van Martin Bril. Het was voor en in de synagoge in de Folkingestraat. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Als groot bewonderaar van de veel te vroeg overleden columnist van de Volkskrant was ik op die middag naar de synagoge getogen om de lezing van Martin bij te wonen. Vlak voor het optreden stond ik met Bril op de stoep van de synagoge. Hij was een echte roker met een voorliefde voor het merk John Player Special, ook bekend vanwege het fraaie glimmende zwarte pakje. Martin rookte zijn sigaretten meestal maar half op en ook deze keer schoot hij de half opgerookte peuk naar de overkant van de smalle Folkingestraat. Daarna keerde de schrijver zich om en ging naar binnen, waarna ik mijn kans schoon zag om mij meester te maken van de peuk die nog lag na te smeulen op de stoep aan de andere kant. Voorzichtig maakte ik de sigaret uit en stak het in mijn zak. Net voordat de deuren van de synagoge sloten wurmde ik mij naar binnen. Gelukkig, niemand had iets gezien. Met de sigarettenpeuk in de zak van mijn spijkerjack luisterde ik enigszins gespannen naar het relaas van Martin Bril, toch wel mijn voorbeeld. Anders doe je niet van die rare dingen. Net als de gebruikte penvulling, die ik uit een asbakje had gevist waar Martin hem eerder had ingelegd, heeft het overgebleven stukje sigaret een mooie plek bovenop het keukenkastje. Rechts van mijn eettafel annex schrijfbureau hangt een ingelijste tekening van Herman Brood. Piet volgens Brood staat er op geschreven. Herman en ik kenden elkaar zo goed dat Herman daarom de tekening van mij alleen maar met een blinddoek voor wilde maken. En verdomd, het lijkt nog ook. Tevens heb ik een foto waar Herman bezig is met tekenen en waarvan ik toen dacht dat het nooit iets zou kunnen worden. Wederom buiten Brood gerekend, ook deze keer had hij gelijk. Nog steeds als ik er naar kijk verbaas ik mij. Dan de scheenbeschermers van Hugo Hovenkamp, de voetballer die in de Vinkenstraat werd geboren, bij GVAV ging voetballen, om daarna te verkassen naar AZ ’67, waar hij in 1981 landskampioen mee werd en als linksback 31 keer voor het Nederlands elftal uitkwam. Hugo en ik waren vrienden en toen hij zijn eerste interland in Londen speelde, Oranje won met Johan Cruijff met 2-0 door goals van Jan Peters, besloot ik hem van Schiphol te halen. In een oude Buick stond ik op mijn maatje te wachten. Hugo Hovenkamp, grote bek klein hartje, vond het zo tof dat ik bij de vlieghaven stond dat hij spontaan zijn sporttas opende en mij zijn gedragen scheenbeschermers schonk. U begrijpt, ook dit duo heeft een ereplaats in mijn huisje in het centrum gekregen.