Op zijn 68e wint Anne ten Brink het NK vuistbijlenslaan.

ZUIDLAREN – Veertig jaar lang zoekt Anne ten Brink als amateurarcheoloog naar sporen van onze voorouders. Op de Drentse velden speurt hij naar archeologische artefacten en probeert hij te achterhalen wat mensen duizenden jaren geleden achterlieten. Sinds ongeveer tien jaar heeft hij daar een tweede passie bij: het zelf bewerken van vuursteen. Vorige week woensdag kwam die hobby tot een bijzonder hoogtepunt. Ten Brink werd Nederlands kampioen in het maken van een vuurstenen vuistbijl.
Dat Ten Brink uiteindelijk met de Nederlandse titel naar huis zou gaan, had hij jaren geleden waarschijnlijk niet kunnen bedenken. Zijn belangstelling voor vuursteen begon namelijk niet bij het maken ervan, maar bij het zoeken ernaar.
‘Ik ben al veertig jaar amateurarcheoloog. Ik zoek vooral in Drenthe op de velden naar archeologische artefacten van onze voorouders’, vertelt hij. In de loop der jaren bouwde hij een netwerk op van andere liefhebbers. Een van hen, Ernest, was al tientallen jaren bezig met het bewerken van vuursteen en probeerde Ten Brink regelmatig over te halen om het ook eens te proberen.
Jarenlang kwam het er niet van. Ten Brink wilde Ernest liever mee hebben tijdens zijn zoektochten, terwijl Ernest hem juist naar zijn vuursteenwerkplaats wilde krijgen. Tot ongeveer tien jaar geleden. ‘Toen is hij een paar keer met mij mee geweest en ben ik een paar keer bij hem geweest om vuursteen te gaan bewerken.’
Het bleek een schot in de roos. ‘Ik vond het eigenlijk fantastisch. Ik vond natuurlijk het bewerkingsafval van de prehistorische mens op de velden. En ik kon precies zien hoe het eruitziet. Toen ik zelf vuursteen ging bewerken, zag ik welke afslagen en welke stukken eraf kwamen. De vergelijking tussen wat ik altijd vond en wat ik zelf afsloeg, vond ik ontzettend interessant.’
Inmiddels heeft Ten Brink in het bos bij zijn woning een eigen vuursteenwerkplaats. Daar kan hij naar hartenlust experimenteren met het materiaal. Een belangrijk onderdeel daarvan is het vinden van geschikte vuursteen.
Daarvoor gaat Ten Brink ieder jaar met een aantal vrienden naar Denemarken. Daar bezoeken ze kalkgroeves. Bij de winning van kalk komt namelijk ook veel vuursteen vrij. Voor de exploitanten is dat materiaal nauwelijks interessant, maar voor de vuursteenbewerkers is het juist waardevol.
‘Daar doen ze helemaal niets mee. Voor hen is het afval. En voor ons is het goud’, vertelt Ten Brink.
De groep laadt de auto’s en karren vol met grote stukken vuursteen en neemt het materiaal mee terug naar Nederland. Daarmee kunnen ze vervolgens maandenlang, soms zelfs een jaar, vooruit. ‘We moeten dan weer naar Denemarken.’
De groeve waar Ten Brink en zijn vrienden komen, wordt gerund door een hoogbejaard echtpaar. ‘Een 83-jarige dame met haar 80-jarige man. Die zijn daar dag en nacht nog steeds bezig in de groeve.’ De omstandigheden zijn bijzonder. Door het vele stof dat bij de werkzaamheden vrijkomt, lijkt het volgens Ten Brink soms wel alsof je in een andere wereld terechtkomt.
‘Als je daar komt, lijkt het wel een zonsverduistering. Zo dwarrelt het stof om je heen. We liepen daar ook met mondkapjes. Als je daar bent, is het bijna alsof je op een andere planeet bent. Het is dat je het geluid van allerlei machines hoort.’
Het vuursteen dat Ten Brink uit Denemarken meeneemt, is bovendien zeer geschikt om mee te werken. ‘Het is heel sterk vuursteen. Hier zitten bijna geen scheurtjes in. Dus dit gaat niet zomaar knappen.’
Dat is belangrijk, want vuursteenbewerking vraagt om precisie. Met een steenhamer wordt steeds op een specifieke plek geslagen. De kracht van de slag loopt via de ribben in het vuursteen, waardoor een klein stukje van het materiaal afspringt. Wie verkeerd slaat, kan een veel groter deel van het werkstuk beschadigen.
Ten Brink heeft dat zelf ook meegemaakt. ‘Met de laatste slag die ik zou doen op een prachtige vuistbijl: paf, door het midden. Maar goed, daar moet je het van doen.’
Een vuurstenen vuistbijl is veel meer dan een mooi gevormde steen. Het werktuig moest in de prehistorie vooral praktisch zijn. Er kon vlees mee worden gesneden, botten konden worden bewerkt en ook hout en graszoden konden ermee worden gesneden. ‘Het is eigenlijk een soort Zwitsers zakmes’, zegt Ten Brink.
Voor het Nederlands kampioenschap werden de vuistbijlen op verschillende eigenschappen beoordeeld. De rand moest scherp zijn, het werktuig moest dun en hanteerbaar zijn en de vorm moest overeenkomen met de vuistbijlen die in deze omgeving zijn gevonden. Ook werd gekeken naar de manier waarop het materiaal was bewerkt. Te veel mislukte slagen of onregelmatigheden konden punten kosten.
De deelnemers kregen twee uur de tijd en moesten hun vuistbijl ter plekke maken. Ze namen hun eigen vuursteenknollen mee, maar het eindproduct ontstond pas tijdens het kampioenschap. Ten Brink maakte in die twee uur ongeveer vijf exemplaren.
Dat gebeurde bovendien terwijl het publiek over zijn schouder meekijkte. ‘Soms wilde je net slaan en stelde iemand een vraag. Dan dacht je: even wachten, niet slaan. Eerst die vraag beantwoorden en daarna weer verder.’
De sfeer is volgens Ten Brink gemoedelijk, maar winnen wil natuurlijk iedereen. ‘Het is geen grote sport. Het is niet zo dat heel Nederland vuursteen aan het bewerken is. Maar iedereen wil winnen.’
Uiteindelijk werd Ten Brink door de jury uitgeroepen tot Nederlands kampioen. Een prestatie waar hij zichtbaar plezier aan beleeft. ‘Ik moest 68 jaar worden om kampioen van Nederland te worden. In welke tak van sport kun je op je 68e kampioen van Nederland worden? Klaverjassen misschien.’
De titel verdedigen wil hij volgend jaar zeker proberen. ‘Ik wil op mijn 69e ook wel graag kampioen van Nederland zijn.’
Maar misschien nog belangrijker dan de titel vindt Ten Brink het dat de kennis over het bewerken van vuursteen blijft bestaan. Samen met zijn vrienden geeft hij cursussen en op archeologische beurzen laten ze kinderen kennismaken met het oude ambacht. De belangstelling onder jongeren valt hem daarbij positief op. ‘Dan maken we pijlpunten met kinderen. En dan zie je dat de interesse bij de jeugd ontzettend groot is. Dat is juist zo leuk.’
Het aantal deelnemers aan het kampioenschap groeit eveneens. Dit jaar deden ongeveer dertien mensen mee, afkomstig uit verschillende delen van Nederland. Volgens Ten Brink is dat een teken dat de belangstelling voor het ambacht toeneemt.
Voor de nieuwe Nederlands kampioen draait het uiteindelijk om de verbinding tussen heden en verleden. Wat ooit een noodzakelijk werktuig was voor de Neanderthaler, is tegenwoordig een ambacht dat met geduld, kennis en veel oefening opnieuw wordt uitgevoerd. ‘We hopen gewoon dat iemand anders straks het stokje overneemt. Dat dit soort dingen niet verloren gaat. Wat ooit een keer door je voorouders gedaan is.’
En voorlopig is het stokje stevig in handen van Anne ten Brink. Met een werkplaats in het bos, jaarlijks een reis naar de Deense groeves en een Nederlandse titel op zak, is hij nog lang niet klaar met zijn vuursteen.









